Havo 4 (g)een brug te ver?

door: Theo Manders

Kansen bieden is niet hetzelfde als een ‘kans op succes’ bieden. Als we naar het rendement van de doorgestroomde vmbo leerlingen in havo 4 kijken zien we dat vooral de voorwaardelijk toegelaten leerlingen duidelijk onderpresteren. In de vier onderzochte jaren wist uit deze groep slechts 35% de eindstreep te halen, de rest heeft de school zonder havo diploma moeten verlaten.

Dit gold zeker niet voor de leerlingen die met de bestaande toelatingsregeling onvoorwaardelijk werden toegelaten. In de onderzochte schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 zijn de succeskansen voor deze groep doorstromers duidelijk hoger dan het landelijk gemiddelde en ongeveer gelijk aan die van de instromende havisten.

Het verschil in succes tussen leerlingen die een 6,5 of een 6,8 als gemiddelde eindcijfer haalden is niet significant. Ik stel dan ook voor een 6,5 als doorstroomeis te handhaven. Hiermee zouden we bovendien een aanzienlijk groter aantal leerlingen de kans bieden om hun studie op de havo voort te zetten.

Uit het onderzoek is gebleken dat het hierboven geschetste beeld de laatste twee onderzochte schooljaren volledig is omgeslagen. Dit geldt voor de succeskansen van de instromende havo 3 leerlingen en in versterkte mate, voor de groep onvoorwaardelijk toegelaten vmbo’ers.
Gebleken is dat er op het Sint-Janslyceum bij diverse vakken grote aansluitingsproblemen zijn ontstaan. Het toegenomen cijferverval in havo 4 is een belangrijke oorzaak voor het in de laatste jaren sterk afnemende doorstroomsucces.

Het is voor het Sint-Janslyceum van belang dat er snel wordt begonnen met het uitwerken van doorlopende leerlijnen. De overgang onderbouw-bovenbouw moet geleidelijk verlopen. Dit geldt voor de inhoud van de stof, de pedagogiek, de didactiek, het aantal toetsen maar ook voor de aard / inhoud van de toetsen. Op veel Nederlandse scholen is er in verband hiermee aandacht gekomen voor de RTTI-methode van toetsing. Het lijkt verstandig dat ook het Sint-Janslyceum zich daar op gaat oriënteren. Om de aansluiting te verbeteren zouden we daarnaast kunnen denken aan, collegiale intervisie, de benoeming van doorstroom coördinatoren (één per vak) en de inzet van bovenbouwdocenten in havo 3 en vmbo 4.

De begeleidingslessen voor vmbo 4 leerlingen in de periode na het eindexamen leveren nog te weinig rendement op. Bij Nederlands en wiskunde zijn kleine successen geboekt maar ook daar scoren leerlingen al drie jaar op rij slechter dan de vergelijkbare havo 3 leerlingen. Bij Engels is er zelfs sprake van een sterk dalende lijn. Het ligt voor de hand om niet pas in juni maar al veel eerder in oktober met deze lessen te beginnen. Omdat leerlingen met een extra examenvak in vmbo 4 een grotere succeskans hebben in havo 4 is het verplicht stellen van een extra vak voor de doorstromers aan te bevelen.

In het kader van de gelijke behandeling van vmbo 4 en havo 3 leerlingen zou een toelating zonder subjectieve doorstroomadviezen te overwegen zijn. Met een doorstroomeis die alleen gebaseerd zou zijn op een gemiddeld schoolonderzoekcijfer van 6,5 of hoger zouden de doorstromers in drie van de vier onderzochte jaren een succeskans hebben gehad die vergelijkbaar was met die van de ingestroomde havisten. In alle onderzochte jaren zouden ze beter hebben gepresteerd dan onder de bestaande doorstroomregeling.

Bij het oplossen van deze aansluitingsproblemen kunnen we ook denken aan een aantal organisatorische oplossingen zoals: een andere lessentabel, de integratie van vakken of de introductie van een aantal keuzemogelijkheden in havo 3.

In het licht van de veranderende exameneisen zouden we als school in een vervolgonderzoek ook eens moeten kijken naar onze eigen overgangsnormen van havo 3 naar havo 4.

Bovenstaande tekst is als samenvatting opgenomen in het “Masteronderzoek van door- en instroom naar havo 4 op het Sint-Janslyceum” door Theo Manders.  Meer weten: t.manders@sjl.nl