Mijn vader is ook stukadoor

“Mijn vader is ook stukadoor” is een toepasselijke titel voor een essay, zeker voor schrijver Erwin Brouwer. Erwin is werkzaam op de Middelbare Techniek School van het Koning Willem I College en zelf zoon van een stukadoor.

In het essay betoogt Erwin op basis van onderzoek dat de MTS aandacht moet besteden aan keuzebegeleiding.

“Vroeger was het niet moeilijk om te kiezen wat je wilde worden, je werd gewoon schilder of stukadoor omdat je vader dat ook was. Toen ik in 2004 als leraar afbouw aan het werk ging, kwam ik op de open dag en tijdens de intakegesprekken regelmatig leerlingen tegen die stukadoor wilde worden, omdat vader of opa ook stukadoor was. In kiezen van een opleiding (Den Boer, 2009) wordt dit de gewonnen keuzevrijheid genoemd. Tegenwoordig wordt arbeid voor jongeren steeds minder zichtbaar. Jongeren kunnen zich daardoor steeds minder een voorstelling maken van de arbeidswereld of staan er te ver vandaan waardoor er een vertekend beeld ontstaat.”

De noodzaak om leerlingen beter te begeleiden in het maken van een beroepskeuze is groot (Meijers, Kuijpers, & Winters, 2010). Erwin komt daarom tot de volgende concrete aanbevelingen:

1. De afdeling MTS moet vaste momenten binnen het curriculum opnemen waarbinnen vmbo leerlingen uit leerjaar 3 komen oriënteren. Een eerste kennismaking met de verschillende opleidingen zorgt voor ‘horizonverbreding’ (Meijers, 2002).

2. De afdeling MTS moet vaste momenten binnen het curriculum opnemen waarbinnen vmbo leerlingen uit leerjaar 4 terugkomen naar de opleiding waarvoor ze denken te gaan kiezen. Het doel is om in deze fase de vmbo-leerling in contact te brengen met een ‘rolmodel’ (Kuijpers, 2012).

3. In het laatste half jaar van het vmbo vindt er minimaal één studieloopbaangesprek plaats tussen de vmbo-leerling en de SLB’er van het mbo.

4. Binnen de afdeling MTS moeten we ervoor zorgen dat de vmbo-leerling een goed beroepsbeeld krijgt, oftewel we zorgen voor een arbeidsidentiteit. De SLB’er uit het mbo, stemt in samenspraak met het vmbo de stage af op de richting die de leerling mogelijkerwijs
gaat kiezen. De SLB’er is tevens netwerker en kent de arbeidsmarkt. Het creëren van een arbeidsintensiteit is van groot belang binnen het keuzeproces van de leerling (Den Boer, 2009)

 

Duidelijke aanbevelingen van Laura Wibbens

Laura Wibbens studeert binnenkort af op de Fontys Hogeschool en is dan leraar Consumptieve Technieken. Zij deed een afstudeeronderzoek naar de oorzaken van Voortijdig Schoolverlaten bij de opleiding gastheer/-gastvrouw niveau 2 BOL op de Middelbare Horeca School te ’s-Hertogenbosch. Het is leuk te constateren dat het aantal VSV-ers op de afdeling dit jaar drastisch is gedaald.

Uit het onderzoek is gebleken dat er negen (risico)factoren zijn. Deze factoren willen niet zeggen dat de leerlingen ook daadwerkelijk de school voortijdig zullen verlaten. De wrijving tussen de school en de leerling, de zogenoemde combinatie van push en pull factoren met een combinatie van Stressfull life events, kan ervoor zorgen dat de leerling een verhoogd risico loopt om de school voortijdig te verlaten.

Dit betekent niet dat alle jongeren die te maken krijgen met een risicofactor een daadwerkelijke voortijdige schoolverlater is of zal worden. Er zullen ook voldoende leerlingen zijn in een risicosituatie die wel naar school gaan en de opleiding afronden.

Er zijn duidelijke kansen om het het voortijdig schoolverlaten op de Middelbare Horeca School terug te dringen. De Middelbare Horeca School zal zich moeten richten op het tijdig herkennen van risicofactoren bij leerlingen en hier tijdig op inspelen. Dit is mede mogelijk door loopbaanbegeleiding met een goede vertrouwensband tussen leerling en docent aan te bieden.

Voor het terugdringen van het voortijdig schoolverlaten op de Middelbare Horeca School zal de Middelbare Horeca School zich meer moeten gaan richten op het ontwikkelen/verbeteren van de loopbaanbegeleiding. Hier staan drie punten centraal:
1. Schoolorganisatie
2. Mentorschap
3. Begeleiding leerlingen met een zorgindicatie

Schoolorganisatie

Leerlingen worden steeds mondiger. Door leerlingen te betrekken bij veranderingen krijgen zij het gevoel dat ze gehoord worden. Dit uit zich op een positieve werking. Uit de vragenlijst bleek dat 59% van de leerlingen zich niet betrokken voelt bij de organisatie en moeite heeft met de regels die de school stelt en de normen en waarden die gelden. De reden waarom deze leerlingen de schoolorganisatie als negatief ervaren is niet specifiek onderzocht maar een groot aandachtspunt voor de Middelbare Horea School om dit te onderzoeken. Hoe communiceert de Middelbare Horeca School nu met de leerlingen? Wat missen de leerlingen?

Mentorschap

Momenteel zijn er op de Middelbare Horeca School geen mentoruren meer wat betekent dat leerlingen hun mentor tijdens het “vak” zien en/-of spreken. Dit kan betekenen dat mentoren het mentorschap als drukke taak ervaren omdat de gesprekken buiten de lesuren moet worden gepland. Ook de registratie van het volgen van de leerlingen vergt veel tijd. Informatie moet bij verschillende docenten vandaan komen en ook deze administratie moet buiten de lesuren worden verwerkt. Door deze drukke taak is de kans dat leerlingen niet worden opgemerkt of er juist teveel aandacht gaat naar bepaalde leerlingen. Bij een goede loopbaanbegeleiding moet er naar worden gestreefd dat er uren vrij komen voor de mentoren waarin de mentor gestructureerd gesprekken kan voeren met de leerlingen en de mentor ook tijd heeft voor de leerling om de coachende rol waarin de leerling wordt ondersteund bij zijn of haar studie, beroepskeuze en eigentijdse ontwikkelingen. Als deze basis goed is, kunnen risicofactoren tijdiger worden gesignaleerd en actie worden ondernomen.

Heel erg belangrijk is dat er zorgvuldig wordt gekeken naar het mentorschap. Niet iedereen is geschikt om het mentorschap op zich te nemen. De schoolorganisatie zal docenten moeten trainen in het begeleiden van leerlingen om ook de juiste loopbaanbegeleiding te kunnen bieden en ook een vertrouwensband met de leerling aan te gaan. Door docenten hierop te trainen kunnen patronen van leerlingen worden doorbroken en kan bij een zorgindicatie goed worden doorverwezen.

Begeleiding van leerlingen met een zorgindicatie

Steeds meer leerlingen komen met een zorgindicatie vanuit het VMBO naar het MBO. Leerlingen met een zorgindicatie zijn leerlingen die extra zorg nodig hebben door (geestelijke) gezondheid of leerlingen waarbij factoren een rol spelen die ze in het dagelijks functioneren belemmert. Deze leerlingen hebben extra zorg/begeleiding nodig bij voorkeur door iemand die geschoold is om deze leerlingen te begeleiden en door te verwijzen naar een externe specialist. Het is belangrijk dat deze indicatie snel duidelijk wordt zodat deze leerlingen ook gelijk naar een aparte zorgcoördinator gaan i.p.v. dat de leerling onder het mentorschap blijft hangen.

De taak van een zorgcoördinator zal veel tijd vergen in het registreren van informatie en ook het delen van informatie met de docenten. Deze doorgifte van informatie is van belang zodat alle docenten de leerlingen op dezelfde wijze behandelen en/-of benaderen. Daarnaast is het van belang dat de docenten de zorgcoördinator op de hoogte houden van ontwikkelingen en gedragspatronen zodat hiermee aan de slag kan worden gegaan.

 

Goede cijfers

De Middelbare Horeca School overlegt goede cijfers over schooljaar 2013/2014. Het is nu al duidelijk dat er dit schooljaar veel minder VSV-ers zijn op de afdeling. Per 1 juni 2014 telden we er pas 3 en vorig jaar rond deze tijd meer dan 10. Geen van die 3 leerlingen zat overigens op de opleiding gastheer/-gastvrouw niveau 2 BOL. Een geweldig resultaat!

Wat werkt bij de bestrijding van VSV?

Erwin Brouwer (MTS Koning Willem I College) en Reinoud van Uffelen brachten vandaag een bezoek aan een congres georganiseerd door onderzoeksinstituut TIER (een samenwerkingsverband tussen de Universiteiten van Maastricht, Groningen en Amsterdam), Platform 31 en de gemeente Amsterdam.

Tijdens de conferentie werd het beleid en de praktijk van VSV onder de loep genomen. De belangrijkste conclusies van het TIER-onderzoek naar VSV werden gepresenteerd door een keur van wetenschappers.Wat werkt wel, en wat werkt niet? Daar ging het eigenlijk over.

Wethouder Andrée van Es opende de bijeenkomst. “Samenwerken is van essentieel belang” aldus van Es en “soms is het beter om niks te doen, maar dat vergt moed van een bestuurder.”

Samenvattend zijn de conclusies van het onderzoek als volgt.

  • Nederland heeft een succesvol preventiebeleid voor VSV gevoerd tussen 2005-2013.
  • Een goed preventiebeleid is duur. Echter, VSV is nog duurder.
  • Bijkomende inspanningen zijn nodig om moeilijk te bereiken VSV’ers op school te houden.
  • Preventieprogramma’s richten zich vaak naar het individu en de scholen. Focus op relatie onderwijs-arbeidsmarkt wordt vaak vergeten.
  • Rol van de arbeidsmarkt kan niet worden genegeerd om succesvol vsv-beleid te voeren.
  • Een eerlijke benchmark houdt rekening met externe invloeden van o.a. economie, technologie, en vacatures op de arbeidsmarkt.
  • Landen die hun beleid richten op VSV in VMBO-MBO zijn succesvoller in preventiebeleid.
  • Volledige, betrouwbare en valide data zijn noodzakelijk om inzicht te krijgen in het probleem van ongewettigde afwezigheid op school.
  • Spijbelaars vallen tot drie keer meer uit voor einde leerplicht dan niet spijbelaars.
  • Beroepsoriëntatie van leerlingen, zorg- en adviesteams, en maatwerktrajecten leiden tot minder kans op VSV.
  • Een goede transitie naar MBO is noodzakelijk om mogelijke VSV’ers in de ROC’s te bereiken.
  • De warme overdracht heeft in 2008 niet geleid tot een betere transitie tussen VMBO-MBO.
  • Het verhogen van de leerplicht naar 18 jaar heeft niet geleid tot minder VSV vlak na invoering van de maatregel. Leerlingen die vrijgesteld waren van de nieuwe wet, vielen in hogere mate uit.

We hopen één van de sprekers ook naar ons congres op 16 oktober te halen.

De wetenschappelijk papers (in het Engels!) zijn hier te lezen.