Weer een doel voor ogen

Door: Melinde Bussemaker in opdracht van Deviante.

Als je doet wat je deed, krijg je wat je kreeg. Dus waarom zittenblijvers een jaar exact opnieuw laten doen? De Sancta Maria Mavo in ’s-Hertogenbosch biedt de zittenblijvers in klas 3 van deze vmbo-t, en leerlingen die naar de derde gaan en extra steun kunnen gebruiken, een hele andere aanpak. “Wij geven leerlingen het vertrouwen dat ze hun eigen doel kunnen najagen.”

Aan het woord is Sander van Roy, bevlogen docent en coach. Met glimmende ogen vertelt hij over de nu drie jaar bestaande aanpak van de vmbo-t. “We zoeken nog naar de juiste naam, maar de resultaten zijn er al. Geen enkele leerling is uitgevallen. Ok, sommigen zijn een ander doel gaan najagen; een leerling is bijvoorbeeld de opleiding tot binnenvaartschipper gaan doen. Maar stuk voor stuk hebben ze een idee gekregen van wat ze willen, hoe ze daar kunnen komen en gaan ze ervoor.”

 Gevoel van falen

“Leerlingen die net zijn blijven zitten hebben het gevoel dat ze gefaald hebben”, legt Afdelingsdirecteur Bovenbouw Arno van Weert uit. “We geven ze de mogelijkheid weer in zichzelf te vertrouwen.” Sander knikt. “Vaak weten ze heel goed wat ze niet kunnen, maar niet wat ze wél kunnen. Om eerst los te komen van wat er gebeurd is, beginnen we met Kickchange, kickboksen met veel aandacht voor de psychologische kant. Ze maken hun hoofd leeg en leren te vechten én door te zetten. Van daaruit gaan we verder. We spelen rollenspelen, life twister en iedere leerling maakt een collage met de eigen doelstellingen.”

Op de steiger

Vervolgens gaat de groep die uit ongeveer achttien leerlingen bestaat op kamp in de Biesbosch. “Daar leren ze elkaar kennen en ontstaat het groepsgevoel. Ook spreken we de leerlingen meteen aan op hun eigen verantwoordelijkheid en organisatietalent. Wie haalt er hout? Wie wast er af? Laat ze het zelf maar regelen. Aan het eind van het kamp komen de ouders op bezoek. Ze reizen af naar de Biesbosch en komen op een pondje langs. De kinderen gaan één voor één op de steiger staan en vertellen waarom ze vorig jaar niet over gegaan zijn. Wat hebben ze verkeerd gedaan? En hoe gaan ze het nu anders doen? Dat is altijd een prachtig moment.”

 ‘WE GEBRUIKEN ASPECTEN VAN ANDERE SUCCESVOLLE PROGRAMMA’S’

 Stemming

“Je ziet de ouders vaak een beetje mopperend aan boord gaan”, vertelt Arno. “Ze zijn helemaal naar de Biesbosch gekomen en waarvoor? Maar als ze dan hun kind hebben gezien slaat de stemming helemaal om en is iedereen ontzettend trots. ‘Wat hebben jullie met die kinderen gedaan?’ is een vraag die regelmatig gesteld wordt.” De ouders worden gedurende het schooljaar geïnformeerd via een nieuwsbrief en tijdens meerdere presentatieavonden.

Uit de praktijk

Hierna gaan de leerlingen aan de slag op school. Elke week is een dagdeel gereserveerd voor het project. Sander: “We werken aan planning en motivatie, en aan zelfbeeld: zien anderen mij zoals ik mezelf zie? Ook bezoeken we een bedrijf in de buurt, bijvoorbeeld een accountantskantoor. Daar starten de leerlingen met het maken van een bedrijfsplan en kunnen ze vragen stellen aan professionals uit de praktijk. Door die link te leggen met de maatschappij, werkt het. Het schoolsysteem is al decennia oud. Er is een gat tussen hoe we leerlingen afleveren aan de maatschappij en wat er van hen gevraagd wordt. Wij proberen jongeren wat meer handvatten te geven.”

Eigen bedrijf

Vervolgens schrijven de leerlingen eigen bedrijfsplannen in groepjes van twee. Arno: “ Ze krijgen ook budget om hun bedrijfje op te zetten. Dat zijn kleinschalige ideeën die op school te realiseren zijn zoals het verkopen van Valentijnsbloemen of van warme chocolademelk met slagroom als het koud is.” Sander vult aan: “Ze merken dat er veel komt kijken bij het opzetten van een bedrijf: organisatietalent, netwerk, marketing, economie, financiën en daarmee wiskunde. De professional beoordeelt hun bedrijfsplannen. Aan het eind van het jaar mag de klas iets leuks gaan doen met de winst.”

 Investering

De Sancta Maria Mavo ontwikkelde deze aanpak uit projecten als Kickchange en Opeduca (uit Kerkrade). “We hebben naar bestaande projecten gekeken en daar aspecten uit gehaald die voor ons werken. Ik raad andere scholen aan om hetzelfde te doen. Kijk wat bij de eigen organisatie en leerlingen past en kopieer niet zomaar iets. Iedere school en iedere leerling is anders.” Arno: “Onze aanpak vergt een investering, financieel en emotioneel. Gelukkig staan daar mooie resultaten tegenover.”

Meer info? Sander van Roy, roy@desancta.nl

Advertenties

Oplossingsgerichte aanpak is niet soft

Door: Melinde Bussemaker in opdracht van Deviante.

Dat rotjoch dat bij docenten het bloed onder de nagels haalt. Stuur je die het liefst de klas uit? Of benader je hem positief en houd je het overkoepelende doel voor ogen: iedereen een startkwalificatie? Saskia van Gils, docent van het Koning Willem I College deed het tweede en verraste zichzelf en de leerling. “Een oplossingsgerichte benadering werkt.”

“Ik moest tien keer slikken toen de leerling die ik achter het behang wilde plakken antwoord op mijn vraag wat ik anders had kunnen doen gaf”, vertelt Saskia. “Hij uitte aardig wat kritiek. Maar vervolgens gaf hij toe dat hij ook wel begrip had voor de situatie en ging hij naar zijn eigen aandeel kijken. De verandering was duidelijk.” Saskia startte dit jaar het project Focus. Als student Special Educations Needs (SEN) leerde ze over oplossingsgericht werken. Dat past ze toe in Focus. Dit project is voor leerlingen niveau 2 die uit de bocht dreigen te vliegen. De oorzaak kan internaliserend zijn, denk aan faalangst en depressie, of externaliserend waarbij de omgeving ook last ondervindt van het slechte gedrag.

 Positief benaderen

“Ik ben aan de slag gegaan met het boek ‘1001 oplossingsgerichte vragen’ van Frederike Bannink. Daaruit heb ik gesprekstechnieken gedestilleerd die zijn verdeeld over een kennismakings-, een voortgangs- en een eindgesprek. Het gaat om hoe je de vragen stelt. Zo besteed je weinig tijd aan het probleem en maak je snel de stap richting de oplossing. Die oplossing moet de leerling zelf aandragen zodat hij er achter staat. Je benadrukt wat er al goed gaat en laat de leerling concrete doelen formuleren hoe het nog beter kan. In een traject van zes weken probeer je die doelstellingen te behalen. Daarbij geef je veel positieve feedback en benadruk je vooral wat er goed gaat.”

Doelen stellen

Ze schaart de leerlingen in drie categorieën. “Voorbijgangers, zij willen liever geen hulp. Klagers, het ligt aan iedereen behalve aan hen. En bezoekers, zij zien hun eigen aandeel in het geheel. Stel, ik heb een gesprek met een klager die lastig te handhaven is in de klas. Dat ligt natuurlijk aan de leraar want hij doet niets fout. Wat doet hij dan goed? Wat kan hij nog beter doen? We stellen dan bijvoorbeeld het doel: rustig blijven, maar dat is niet concreet genoeg. Hoe blijf je rustig? Door naast iemand te zitten die rustig is, je te concentreren op de les en je opdrachten te maken. Die doelen stellen we, drie weken later kijken we hoe dat gaat. De leerling geeft zelf op een schaal van één tot tien aan waar hij staat en waar hij naartoe wil.”

 Stapje voor stapje

Een ander voorbeeld: een leerling is vroeger gepest en heeft het gevoel dat anderen over haar roddelen als ze zachtjes praten, terwijl dit niet zo is. “Deze leerling bedacht als oplossing om in de pauze andere leerlingen op te zoeken en met ze te gaan praten. Dat lukte. Vervolgens stelde ze zichzelf tot doel om haar eigen mening te geven in gesprekken. Stapje voor stapje boekt zo’n leerling vooruitgang.”

 Gewone les

Dit jaar heeft Saskia negen leerlingen begeleid. “Bij de eerste zes leerlingen stelde ik vooraf vast dat de mentoren maar van één op de zes dachten dat die een startkwalificatie ging halen. Achteraf verschoof dit naar vier op de zes. Bovendien hadden de leerlingen zelf een reëler beeld van hun eigen kunnen gekregen.” Een mooi resultaat. De positieve, oplossingsgerichte methodes past ze ook toe in haar gewone lessen. “Je kunt roepen dat die laatste drie leerlingen wéér hun jas nog aan hebben, maar je kunt ook zeggen ‘wat fijn dat vrijwel iedereen al helemaal klaar is voor de les’. Dat kost je zelf ook een stuk minder negatieve energie. En nee, het is geen softe aanpak. De leerling moet inzet tonen om te veranderen.”

Meer info?

Saskia van Gils, s.vangils@kw1c.nl

Leerling kiest vanuit zichzelf

logo_leijgraafDoor: Melinde Bussemaker in opdracht van Deviante.

“Als mbo zien we dat het belangrijk is om leerlingen bij te staan in hun studiekeuze. Hebben ze de juiste keuze gemaakt? Dat is vaak moeilijk op een zo jonge leeftijd. We bieden ondersteuning door begeleiding, advies en gesprekken. Daarbij staan vijf loopbaancompetenties centraal. Deze competenties kunnen ze niet alleen nu maar de rest van hun leven gebruiken bij het maken van loopbaankeuzes en het najagen van doelen. ROC de Leijgraaf neemt daarom deel aan het doorstart stimuleringsproject LOB in MBO”. Aan het woord is Margret Mulders, beleidsmedewerker Onderwijs & Ontwikkeling van ROC De Leijgraaf. “Een leerling moet zelf een keuze maken vanuit de eigen drijfveren. Dat geeft de grootste kans op succes.”

margret

“Eerder volgden docenten trainingen van Nard Kronenberg op het gebied van gespreksvoering in het kader van loopbaanleren. Het afgelopen jaar hebben we diverse mensen een LOB-scan laten doen om te kijken of we goed bezig zijn en wat er beter kan. Daaruit kwam onder meer de wens voor verdere professionalisering naar voren. Inmiddels hebben we onze visie aangescherpt en zetten we de aanpak van de vijf competenties in. Twee van onze docenten volgen de landelijke training tot schoolcoach. Zij moeten deze zomer hun kennis als een olievlek over het ROC uitdragen. Misschien kan dat zelfs schooloverstijgend en in samenwerking met VO-scholen gebeuren.”

 Speerpunt

Alle leerlingen op De Leijgraaf hebben loopbaangesprekken en loopbaangerichte activiteiten. Hoe die precies worden ingevuld verschilt per team. “Maar we willen al onze docenten opleiden om de vijf competenties te hanteren.” Loopbaanbegeleiding is een van de speerpunten van ROC De Leijgraaf. Zo kennen ze het oriëntatie- en keuzetraject SCOREN, voor begeleiding bij het maken van een nieuwe studiekeuze en begeleiding voor jongeren die zijn uitgevallen. Bovendien heeft de school een interne opleidingsfaciliteit: de Leij-Academie.

Kans op succes

Loopbaanbegeleiding en VSV hebben veel raakvlakken. “Han Viguurs en ik hebben de aanpak gebundeld zodat we niet onnodig dubbel werk doen en de activiteiten in de projecten elkaar kunnen versterken. Bij het terugdringen van Voortijdig Schoolverlaten is talentontwikkeling belangrijk. Door de competenties in te zetten komt een leerling erachter wat hij of zij écht wil en kan. Als je vervolgens probeert de wensen en doelen van de leerling te koppelen aan de huidige arbeidsmarkt, maak je het plaatje kloppend. Ik geloof niet dat je een leerling naar een opleiding kunt lokken met mooie cadeaus omdat er op dat vakgebied toevallig veel werk is. Een leerling moet zelf een keuze maken, vanuit de eigen drijfveren. Dat geeft de grootste kans op succes.”

Meer informatie? Margret Mulders, margret.mulders@leijgraaf.nl

5 loopbaanvragen

Een lijntje tussen mentor en leerling

udens college
Leerlingen van het Udens College in gesprek met oud-leerlingen, tijdens de jaarlijkse carrousel voor 4e jaars, een interactieve LOB activiteit!

Door: Melinde Bussemaker in opdracht van Deviante.

“Het doel is een lijntje te creëren tussen een mentor en een leerling, zodat de leerling weet dat de mentor geïnteresseerd is in zijn of haar studiekeuze”, legt decaan vmbo Betsie Kuppen uit. “Uit onderzoek blijkt dat dit werkt. De leerlingen krijgen steun en begeleiding mede door die persoonlijke gesprekken.”

Loopbaancompetenties
“Ik heb samen met een collega een training gevolgd van Marinka Kuijpers, bijzonder hoogleraar Leeromgeving en Leerloopbanen”, vertelt Betsie verder. “Kuijpers legt uit dat je vijf loopbaancompetenties moet beheersen om een goede keuze te kunnen maken. Door de goede vragen te stellen, help je leerlingen hierbij. Denk aan vragen als ‘wat zijn jouw kwaliteiten?’, ‘waarvoor kom je je bed uit?’ en ‘wat doen je ouders?’. Ook maken we leerlingen zich ervan bewust dat ze een netwerk hebben, bijvoorbeeld via Facebook en Hyves. Vind je een vak interessant? Probeer dan iemand te interviewen uit je netwerk die dat doet.”

Scherp houden
Na het volgen van de training geeft Betsie cursussen aan de mentoren bij haar op school. “Ons doel is om alle mentoren een training te geven en ze daarna scherp te houden met behulp van regelmatige intervisie. Uit een enquête onder oud-leerlingen blijkt dat de eerste reacties positief zijn. Ook zien we in de cijfers terug dat afgelopen jaar maar één van de 336 leerlingen die de overstap naar mbo maakten, niet op zijn plek is aangekomen. Dit zegt niet alles, maar is wel een indicatie dat we op de goede weg zijn.”

Jonge keuze
In de toekomst zal blijken wat de echte resultaten zijn. “Het maken van een goede studiekeuze op jonge leeftijd blijft lastig. Helaas kan ik nu al voorspellen wie er risico loopt om volgend jaar uit te vallen. Het zijn de leerlingen die nog geen open dag hebben bezocht, wiens ouders hen weinig steun bieden en die zelf niet gemotiveerd zijn. Uitval is niet 100% uit te bannen, maar we doen ons best om het zoveel mogelijk te beperken.”

Meer informatie?
b.kuppen@udenscollege.nl

Het aanpakken van pijnpunten

Door: Melinde Bussemaker in opdracht van Deviante.

Aan het woord is Monaïm Benrida, accountmanager VSV en Implementatie Passend Onderwijs bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Na vijf succesvolle jaren waarin RMC 36 de aanval tegen schooluitval is aangegaan, staat de regio nu voor de uitdagingen van het nieuwe convenant. Regio 36 heeft de afgelopen jaren erg goed gepresteerd: in 2005 stond de teller op 1923 VSV’ers, in 2012 waren dit er 1318. Een resultaat om trots op te zijn. Het is tijd om pas op de plaats te maken en elkaar voor de komende jaren op scherp te zetten. Wat hebben ’s-Hertogenbosch, Oss en omstreken bereikt en wat staat er de komende jaren op het programma? Ik licht het toe.

Het eerste convenant

Het doel van het eerste convenant uit 2007 was om in vier jaar tijd het aantal VSV’ers landelijk gezien terug te brengen naar 35.000. Nederland is verdeeld in 39 regio’s, de RMC’s. Elke regio heeft een contactgemeente en vanuit het convenant ook een contactschool. Die contactschool monitort de projecten, initieert kennisdeling, geeft uitvoering aan de afspraken in de samenwerkingsovereenkomst en beheert het budget. Individuele scholen ontvingen een prestatiebonus per gereduceerde VSV’er. De regio haalde haar budget uit de regiogelden per RMC. In 2009 zijn de Plusgelden hieraan toegevoegd. Geld dat beschikbaar is voor de overbelaste leerling. Oftewel voor de leerling die buiten de school een opeenstapeling van problematiek ervaart, bijvoorbeeld door schulden, gebrek aan huisvesting, relatieproblematiek of verslaving. Het eerste kabinet Rutte besloot de aanpak van VSV te continueren. Het convenant werd met een jaar verlengd om vervolgens een nieuw convenant voor drie jaar te tekenen. Het nieuwe doel: 25.000 VSV’ers in 2015. En zo kwam aan het eind van het schooljaar 2011-2012 een eind aan het eerste convenant.

Van generiek naar specifiek  

In Regio 36 is al veel bereikt. Denk aan een betere samenwerking, betere registratie van verzuim, intensievere loopbaanbegeleiding en de ‘warme overdracht’ van het vo naar het mbo. De regio heeft een analyse gemaakt en hieruit blijkt dat er nog een aantal aandachtspunten is. Om het doel te realiseren dienen die punten te worden aangepakt. Landelijk is het doel van het nieuwe convenant (2012-2015) het terugdringen van het aantal VSV’ers naar 25.000, regionaal is het doel onderverdeeld in percentages per opleidingssoort. De regeling maakt onderscheid in vo-onderbouw, vmbo-bovenbouw, havo-vwo-bovenbouw, mbo1, mbo2 en mbo3&4.

Budget inzetten  

Maar waar liggen die aandachtspunten? Aangezien op het vo leerlingen nog leerplichtig zijn, blijkt dat de crux vooral op het mbo zit. Daar is de uitval groter en de grip kleiner. Ook zijn er bepaalde opleidingen die overduidelijk meer uitval hebben dan andere. Een taak om die uitval aan te pakken. Op basis van de aandachtspunten is het geld toegekend. Het grootste deel van het budget gaat naar waar dat het hardste nodig is. Het vo heeft in de aanpak van VSV vooral een voorbereidende rol: het maken van een goede studiekeuze. Het mbo moet dit voortzetten, neemt leerlingen aan via de warme overdracht en houdt verzuim strak in de gaten.

Het wiel uitvinden  


Als ik kijk naar RMC 36 dan zie ik veel mooie resultaten. Ik juich kennisdeling toe. Waarom zou iedereen voor zich het wiel opnieuw uitvinden? Door elkaar te vertellen wat we doen, wat werkt en wat niet, kunnen we elkaar helpen. Leer van elkaars aanpak en oplossingen. Bovendien raad ik aan om naar de leerlingen zelf te kijken. Waarom valt een leerling uit? Oplossingen kunnen simpel en klein zijn, bijvoorbeeld een sluitend rooster, een gezellige kantine of een betrokken mentor. En bedenk: uiteindelijk wíl iedereen iets met zijn of haar leven.

De toekomst


Over twee jaar komt aan het tweede convenant een einde. En tegen die tijd moeten de nieuwe projecten en werkwijze onderdeel zijn geworden van het dagelijkse reilen en zeilen van de scholen. Kwaliteit van onderwijs, een goede verzuimadministratie, kortom een soepel werkend primair proces. Daarmee kunnen we VSV in de toekomst blijven bestrijden.”